Ontbonden vennootschap gedagvaard: niet-ontvankelijk
Turboliquidatie blijft een heet hangijzer voor schuldeisers die na ontbinding nog iets te vorderen hebben. In zijn arrest van 21 januari 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:293) oordeelt het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat als een, na turboliquidatie ontbonden B.V. wordt gedagvaard, de eiser niet-ontvankelijk is. Eerst moet – als er aanwijzingen zijn voor baten – heropening van de vereffening worden verzocht op grond van art. 2:23c lid 1 BW.
Kern van de zaak
De zaak komt in de kern op het volgende neer. Een B.V., de schuldenaar, heeft een schuld aan een schuldeiser. De schuldenaar wordt ontbonden door middel van een turboliquidatie. De schuldeiser dagvaardt de bewaarder van de boeken en bescheiden van de schuldenaar en vordert betaling van de schuld. De bewaarder vordert in incident dat de schuldeiser niet-ontvankelijk wordt verklaard. De kantonrechter verklaart de schuldeiser niet-ontvankelijk. De schuldeiser gaat hiervan in hoger beroep, waarover hieronder meer.
Juridisch kader
In het kader van deze blog zijn de volgende wetsartikelen relevant.
Art. 2:19 lid 4 BW:
“Indien de rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt hij alsdan op te bestaan. In dat geval doet het bestuur of, bij toepassing van artikel 19a, de Kamer van Koophandel, daarvan opgaaf aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven.“
Art. 2:19 lid 5 BW:
“De rechtspersoon blijft na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. In stukken en aankondigingen die van hem uitgaan, moet aan zijn naam worden toegevoegd: in liquidatie.“
Art. 2:23c lid 1 BW:
“Indien na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen en zo nodig een vereffenaar benoemen. In dat geval herleeft de rechtspersoon, doch uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening. De vereffenaar is bevoegd van elk der gerechtigden terug te vorderen hetgeen deze te veel uit het overschot heeft ontvangen.“
Oordeel van het hof
Het hof oordeelt als volgt.
“3.3. [De schuldeiser] trekt de afwezigheid van baten ten tijde van de ontbinding in twijfel, maar dat maakt niet dat [de schuldenaar] in dit geding geacht moet worden (nog) te bestaan. De onderhavige procedure is aangevangen na de ontbinding van [de schuldenaar], en verschilt daarin van de door [de schuldeiser] aangehaalde rechtspraak.1 Er is ook geen sprake van een faillissementsaanvraag.2 Een ontbonden rechtspersoon kan weliswaar ‘herleven’ ten behoeve van de afwikkeling van een (heropende) vereffening, maar het hof is met de rechtbank van oordeel dat [de schuldeiser] daartoe de procedure had moeten volgen van artikel 2:23c lid 1 BW. Toepassing daarvan kan ook aan de orde zijn indien er aanvankelijk geen vereffening heeft plaatsgevonden omdat er bij de ontbinding van de rechtspersoon geen baten bekend waren. (…)
3.6. De conclusie luidt dat het hoger beroep niet slaagt.“
Kanttekeningen
Net als mr. Van Thiel, die in de JOR een noot schreef bij dit arrest, meen ik dat er wel wat kanttekeningen bij dit oordeel kunnen worden geplaatst. Ik meen dat uit art. 2:19 lid 5 BW volgt dat, als er sprake is van baten, de vennootschap is blijven voortbestaan voor de vereffening. In dat geval is de registratie bij de Kamer van Koophandel, dat de vennootschap is opgehouden te bestaan, een fout in het register en komt dat niet overeen met de juridische werkelijkheid dat de vennootschap nog bestaat. Ook wordt in eerdere rechtspraak, ook van de Hoge Raad (HR 27 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1631), wel aangenomen dat de rechter, ook buiten een procedure conform art. 2:23c lid 1 BW, kan oordelen over de vraag of er nog baten zijn.
Argument voor het oordeel van het hof is wel dat de rechtszekerheid gebaat is bij duidelijkheid over het al dan niet bestaan van een rechtspersoon na ontbinding.
Gevolg van de lijn zoals gevolgd in deze uitspraak, is dat in geval van een reguliere procedure (niet-faillissementsprocedure) eerst de heropeningsprocedure conform art. 2:23c lid 1 BW moet worden gevolgd, voordat de inhoudelijke procedure kan worden gestart tegen de ontbonden schuldenaar.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Deze uitspraak heeft voor de praktijk de nodige gevolgen. Het wordt minder makkelijk/omslachtiger om een vordering op een reeds geturboliquideerde rechtspersoon te verhalen. Vraag is of dat wenselijk is, mede ook gezien kritische kanttekeningen die in de praktijk en door de wetgever worden gemaakt bij de turboliquidatie. Voor bestuurders van een te turboliquideren rechtsperspoon is er mogelijk een risico minder; de rechtspersoon houdt (ook na een onterechte) turboliquidatie op te bestaan, waardoor ook de verplichtingen die voor bestuurders van bestaande rechtspersonen gelden, eindigen. Denk bijvoorbeeld aan de deponeringsplicht.
Wieringa Advocaten
Hebt u vragen over turboliquidatie, heropening van vereffening of de incasso van een vordering? Neem contact op met het team Ondernemingsrecht van Wieringa Advocaten. Wij zijn u graag van dienst!